Dutch-Norwegian translation of aanbellen

Translation of the word aanbellen from dutch to norwegian, with synonyms, antonyms, verb conjugation, pronunciation, anagrams, examples of use.

aanbellen in Norwegian

aanbellen
deurverb ringe på
Similar words

 
 

aanbellen as verb
InfinitivePresent participlePast participle
aanbellenaanbellendaangebeld
Present
ikbel aan
jijbelt aan
hijbelt aan
wijbellen aan
julliebellen aan
zijbellen aan
Present perfect
ikheb aangebeld
jijhebt aangebeld
hijheeft aangebeld
wijhebben aangebeld
julliehebben aangebeld
zijhebben aangebeld
Past
ikbelde aan
jijbelde aan
hijbelde aan
wijbelden aan
julliebelden aan
zijbelden aan
Past perfect
ikhad aangebeld
jijhad aangebeld
hijhad aangebeld
wijhadden aangebeld
julliehadden aangebeld
zijhadden aangebeld
Future
ikzal aanbellen
jijzult aanbellen
hijzal aanbellen
wijzullen aanbellen
julliezullen aanbellen
zijzullen aanbellen
Future perfect or future anterior
ikzal aangebeld hebben
jijzult aangebeld hebben
hijzal aangebeld hebben
wijzullen aangebeld hebben
julliezullen aangebeld hebben
zijzullen aangebeld hebben
Conditional
Imperfect
ikzou aanbellen
jijzou aanbellen
hijzou aanbellen
wijzouden aanbellen
julliezouden aanbellen
zijzouden aanbellen
Perfect
ikzou aangebeld hebben
jijzou aangebeld hebben
hijzou aangebeld hebben
wijzouden aangebeld hebben
julliezouden aangebeld hebben
zijzouden aangebeld hebben
Imperative
Affirmative
jijbel aan
Your last searches