Dutch-Norwegian translation of afbreken

Translation of the word afbreken from dutch to norwegian, with synonyms, antonyms, verb conjugation, pronunciation, anagrams, examples of use.

afbreken in Norwegian

afbreken
scheidenverb bryte av
  onderhandelingverb avbryte
  koordverb briste
  relatieverb bryte, slå opp
  telefoonverb avbryte, bryte
  gebouwverb demolere, rasere, rive ned, ødelegge
  voorwerpenverb brytes av, briste, sprekke løs
  linguïstiekverb skrive med bindestrek
  chemieverb sunddele, løse opp
  kleinerenverb rakke ned på, nedvurdere, nedsette
Similar words

 
 

afbreken as verb
InfinitivePresent participlePast participle
afbrekenafbrekendafgebroken
Present
ikbreek af
jijbreekt af
hijbreekt af
wijbreken af
julliebreken af
zijbreken af
Present perfect
ikheb afgebroken
jijhebt afgebroken
hijheeft afgebroken
wijhebben afgebroken
julliehebben afgebroken
zijhebben afgebroken
Past
ikbrak af
jijbrak af
hijbrak af
wijbraken af
julliebraken af
zijbraken af
Past perfect
ikhad afgebroken
jijhad afgebroken
hijhad afgebroken
wijhadden afgebroken
julliehadden afgebroken
zijhadden afgebroken
Future
ikzal afbreken
jijzult afbreken
hijzal afbreken
wijzullen afbreken
julliezullen afbreken
zijzullen afbreken
Future perfect or future anterior
ikzal afgebroken hebben
jijzult afgebroken hebben
hijzal afgebroken hebben
wijzullen afgebroken hebben
julliezullen afgebroken hebben
zijzullen afgebroken hebben
Conditional
Imperfect
ikzou afbreken
jijzou afbreken
hijzou afbreken
wijzouden afbreken
julliezouden afbreken
zijzouden afbreken
Perfect
ikzou afgebroken hebben
jijzou afgebroken hebben
hijzou afgebroken hebben
wijzouden afgebroken hebben
julliezouden afgebroken hebben
zijzouden afgebroken hebben
Imperative
Affirmative
jijbreek af
Your last searches