Dutch-Swedish translation of gapen

Translation of the word gapen from dutch to swedish, with synonyms, antonyms, verb conjugation, pronunciation, anagrams, examples of use.

gapen in Swedish

gapen
vermoeidheidverb gäspa, gapa
  verrassingverb glo, stå och gapa
Similar words

 
 

gapen as verb
InfinitivePresent participlePast participle
gapengapendgegaapt
Present
ikgaap
jijgaapt
hijgaapt
wijgapen
julliegapen
zijgapen
Present perfect
ikheb gegaapt
jijhebt gegaapt
hijheeft gegaapt
wijhebben gegaapt
julliehebben gegaapt
zijhebben gegaapt
Past
ikgaapte
jijgaapte
hijgaapte
wijgaapten
julliegaapten
zijgaapten
Past perfect
ikhad gegaapt
jijhad gegaapt
hijhad gegaapt
wijhadden gegaapt
julliehadden gegaapt
zijhadden gegaapt
Future
ikzal gapen
jijzult gapen
hijzal gapen
wijzullen gapen
julliezullen gapen
zijzullen gapen
Future perfect or future anterior
ikzal gegaapt hebben
jijzult gegaapt hebben
hijzal gegaapt hebben
wijzullen gegaapt hebben
julliezullen gegaapt hebben
zijzullen gegaapt hebben
Conditional
Imperfect
ikzou gapen
jijzou gapen
hijzou gapen
wijzouden gapen
julliezouden gapen
zijzouden gapen
Perfect
ikzou gegaapt hebben
jijzou gegaapt hebben
hijzou gegaapt hebben
wijzouden gegaapt hebben
julliezouden gegaapt hebben
zijzouden gegaapt hebben
Imperative
Affirmative
jijgaap
Your last searches