verbi Norvegesi in Easytrans


Norvegese verbi con Olandese traduzione.

dagdrømme

dagdromen

danse

dansen

debattere

bespreken, discussiëren over, praten over

bespreken, debatteren, discussiëren, disputeren

debitere

op de rekening laten schrijven, voor een bepaald bedrag debiteren

debiteren

debutere

debuteren, voor het eerst optreden

defilere

defileren, paraderen

definere

een definitie geven

definiëren, preciseren, uitputtend beschrijven

degenerere

degenereren, ontaarden

degradere

degraderen, in rang verlagen, terugzetten

onteren, vernederen

dehydrere

dehydrateren, dehydreren, vocht onttrekken aan

dekantere

decanteren

deklamere

reciteren, opzeggen, voordragen, declameren

oreren, een speech afsteken, retorisch spreken

deklarere

verklaren

dekorere

versieren, opsieren, garneren

decoreren, onderscheiden

verfraaien, versieren, mooi maken, opschikken, tooien, decoreren

dele

delen

delen, verdelen

verdelen, indelen

delen

delegere

afvaardigen, delegeren

delegeren, overdragen

delta

deelnemen, participeren

meedingen, wedijveren, concurreren

demaskere

ontmaskeren

demilitarisere

demilitariseren

demobilisere

demobiliseren

demokratisere

democratiseren

demontere

uit elkaar halen, demonteren

demoralisere

demoraliseren, ontmoedigen, de moed ontnemen, deprimeren

dempe

verzachten, verminderen, verlichten, stillen, kalmeren, lenigen

afnemen, verminderen, dempen

kalmeren, sussen, stillen, bedaren, tot rust brengen

denasjonalisere

denationaliseren

denaturere

denatureren

deoksidere

desoxideren

deportere

deporteren, transporteren

deporteren, uitzetten

deprimere

deprimeren, droevig stemmen, neerslachtig maken, de moed ontnemen

desarmere

inactiveren, onschadelijk maken

onschadelijk maken

desentralisere

decentraliseren

desertere

deserteren, drossen

designe

ontwerpen

desillusjonere

desillusioneren, ontnuchteren

desimere

decimeren

desinfisere

uitroken

desinfecteren, ontsmetten

desorganisere

verstoren, in de war brengen, wanorde scheppen

desorientere

desoriënteren, het gevoel voor richting ontnemen

destillere

distilleren

detonere

ontploffen, exploderen, springen

detronisere

onttronen, afzetten

devaluere

devalueren

diagnostisere

diagnostiseren

die

zuigen, zogen

differensiere

onderscheiden, differentiëren, een onderscheid maken, uit elkaar houden, onderkennen

afwisselen, variëren

digitalisere

digitaliseren

dimensjonere

meten, afmeten

dimme

met groot verlof gaan, afzwaaien [informal]

dingle

bengelen

dirigere

controleren, leiden

dirigeren, leiden

diskontere

korting geven op

diskutere

bespreken, discussiëren over, praten over, beredeneren, doorpraten

bespreken, debatteren, discussiëren, disputeren

diskvalifisere

diskwalificeren, uitsluiten

dissekere

ontleden, anatomiseren

distansere

achter zich laten

achter zich laten, voorbijlopen

distrahere

op een zijspoor brengen

afleiden, verstrooien

distribuere

distribueren, uitdelen

divergere

afwijken, divergeren, uiteenlopen, verschillen

dividere

delen

doble

doubleren, verdubbelen

dokumentere

documenteren

dominere

domineren

predomineren, de overhand hebben, prevaleren, overheersen, primeren

domineren, overheersen

overheersen

donere

verlenen, schenken

schenken, bijdragen

dosere

doseren, in doses verdelen

dramatisere

overdrijven, aandikken, te sterk stellen, dramatiseren, chargeren

dramatiseren

drapere

draperen

drenere

draineren, droogleggen

draineren

drepe

afmaken, slachten

dressere

africhten, dresseren

drible

dribbelen

drikke

drinken

drille

fluiten

drillen, trainen

drive

aandrijven

afdrijven, drijven

besturen, leiden, runnen

aanstoken, opstoken, ophitsen

dwingen, verplichten, forceren, nopen, noodzaken

drukne

verdrinken

dryppe

druipen, druppelen

sijpelen, doorsijpelen, afdruipen, afdruppelen, afdruppen, afdroppelen, afdroppen, druppen, druppelen, droppen

druppelen, sijpelen, druipen, biggelen

drøvtygge

herkauwen

drøye

wachten, even wachten, aan de lijn blijven

talmen, tijd rekken

dubbe

nasynchroniseren, dubben

duge

dienen

dugge

miezeren, motregenen, stofregenen

dundre

dreunen

daveren, dreunen, denderen

dreunen

dunke

pulseren, kloppen, trillen

puffen, tjoeken

dunste

'm smeren [informal], pleite gaan [informal]

de benen nemen, 'm smeren, zijn biezen pakken

duplisere

kopiëren, een kopie maken

dusje

douchen, een douche nemen, een stortbad nemen

dykke

duiken, onderduiken

duiken

dypfryse

diepvriezen

dyppe

onderdompelen, dopen, soppen

dippen, eventjes indopen

onderdompelen, baden, dopen, dompelen

dyrke

aanbidden, bewonderen, verafgoden, vereren, adoreren, idoliseren, dwepen met

dåre

charmeren, bekoren

bezweren

bekoren, charmeren, verliefd maken

overhalen, voor zich winnen

døde

doden, slachten, afmaken

doden, vermoorden, ombrengen

døpe

dopen

døse

dutten, snoezen, dommelen, sluimeren


Norvegese verbi con Inglese traduzione.

dagdrømme

daydream

dages

dawn

dalke

handle

dalte

follow, cling to

damascere

demascene

dampe

steam, puff

dampkoke

steam

dandere

arrange

dangle

dangle

danke

idle, fire (employee), beat (in competition)

danne

form, make, cultivate, educate

danse

dance

darre

shake, tremble

daske

pat, trot, flirt with

databehandle

process data

dataføre

manage data

datastyre

computerize

datere

date

daude

die

daugjødsle

over-fertilise

dauhogge

cut a tree so that the damage caused will make it dry up gradually

dauhugge

cut a tree so that the damage caused will make it dry up gradually

daukjøre

drive something til its end

debattere

discuss, talk about, talk over

argue, debate

debitere

charge, debit

debit

debutere

make one's debut, make one's first appearance

dedusere

deduce

defilere

march past, parade

definere

define, give the meaning of

define, specify

deflatere

deflate

degenerere

degenerate, go wrong, go astray

degge

spoil

degradere

degrade, downgrade, demote, lower in rank, relegate

degrade, debase

dehydrere

dehydrate

deise

topple, tumble

dekantere

decant

dekatere

shrink

deklamere

recite, declaim, repeat

declaim, make a speech, orate, perorate

deklarere

pronounce

dekode

decode

dekomponere

destry, subvert, remove, do away with, breakdownm metabolize

dekorere

trim, decorate

decorate

beautify, adorn, prettify, embellish, ornament, decorate, garnish

dekortere

deduct, discount

dekupere

inlay

dele

share

split, divide, share

divide

tie for

delegere

delegate, deputize, depute

delegate

communicate [formal], convey

delere

divide

delje

hit hard

delta

participate, take part, partake [formal]

compete

demaskere

unmask

demilitarisere

demilitarize

demisjonere

resign

demme

dam, stem, repress, restrain

demobilisere

demobilize

demokratisere

democratize

demonstrere

demonstrate

demontere

take apart, disassemble, dismantle, strip

demoralisere

demoralize, discourage, dishearten, unnerve, drag down

dempe

relieve, allay [formal], alleviate, assuage, soothe, lessen, calm, ease, comfort, pacify

lower, decrease, muffle

appease, calm, pacify, quiet, quiet down, conciliate, placate, lull

demre

shimmer, show up, dawn

denasjonalisere

denationalize

denaturalisere

denaturalize

denaturere

denature

denge

give a thrashing, whip

denudere

uncover

deoksidere

deoxidize

deponere

deposit

deportere

transport

deport

deppe

get depressed

deprimere

cast down, weigh down, dishearten, sadden [formal], depress

deprivatisere

deprivatise

derangere

derange

derelinkvere

be delinquent

derivere

derive

desarmere

deactivate

defuse, render harmless

desentralisere

decentralize

desertere

desert

desidere

decide

designe

style, design

desillusjonere

disillusion, shatter illusions, disenchant

desimere

decimate

desinfisere

fumigate

disinfect

desinformere

misinform

desintegrere

disintegrate

desoksidere

deoxydise

desorganisere

disorganize, disorder, throw into confusion, mess up

desorientere

disorient, disorientate

destillere

distill, distil, rectify

destruere

destroy

detaljbehandle

manage detail

detaljere

detail

detasjere

detach

determinere

determine

detonere

detonate, explode, fulminate, blow up, go up, go off

detronisere

dethrone, depose, oust, unseat

devaluere

devalue

deviere

deviate

diagnostisere

diagnose, make a diagnosis of

dialysere

be on dialysis

die

suckle, nurse

differensiere

differentiate, distinguish, discriminate, make a distinction, draw a distinction, tell apart

diversify, vary

differere

diphthongize

diffundere

diffuse

diftongere

diphthongize

digge

tickle

digitalisere

digitize

dikke

tickle

dille

dangle, wag, talk nonsense

dimensjonere

dimension

dimittere

discharge

dimme

leave the service, be discharged

dim, obscure, adjust

dingle

dangle

dirigere

control, direct

conduct

dirke

pick

dirre

quiver, tremble, vibrate

diske

disqualify, dish out, serve

diskontere

discount

diskutere

discuss, talk about, talk over, reason about, argue

argue, debate

diskvalifisere

disqualify

dispasjere

dispatch

dispensere

exempt

disponere

have at one's disposal, manage, organise, predispose

disputere

dispute, defend (doctoral thesis)

disse

quiver, swing

dissekere

dissect, anatomize

dissentere

dissent

dissimilere

dissimulate

dissonere

disagree, reject

dissosiere

disassociate

distansere

outdistance

outstrip

distingvere

distinguish

distrahere

sidetrack

distract, divert

distribuere

dispense, distribute, deal out, deal, pass out

divergere

diverge, differ

divertere

amuse, divert

dividere

divide

djupetse

etch, engrave

djupfryse

deep-freeze, quick-freeze

djupne

deepen

doble

double

dokksette

dock

doktorere

fiddle around with

dokumentere

document

dolke

stab

domfelle

sentance

dominere

dominate

predominate, prevail, rule, reign [literature]

dominate, govern

domineer

domisiliere

domicile

donere

bestow [formal], grant, endow

donate, contribute, chip in

dope

dope

dore

enlarge a hole

dorge

troll

dorme

doze, nap

dosere

dose, divide into doses

dovne

become flat, stale, loaf

dramatisere

exaggerate, overstate, overdo, dramatize

dramatize

drapere

drape

dras

contend, be attracted

drasjere

?

drasse

drag

dratte

flop

dreie

turn, rotate

drenere

drain, make dry

drain

drepe

slaughter, slay

dressere

train, school

drible

dribble

drifte

be busy, occupied

drikke

drink

drille

drill, train

driste

dare, presume, venture

drite

defecate

drive

drive, propel

drift, float, be carried along

operate, manage, run

incite, stir up, stir [informal], instigate

compel, force, oblige, coerce, press, constrain, pressure

drodle

doodle

droppe

drop

drukne

drown

drown

dryge

make last longer, delay, hesitate

dryppe

drip

trickle down, drip down

trickle, dribble, drip

trickle, dribble, drip

drypptørre

drip dry

drysse

scatter, sprinkle, strew

drøfte

debate, discuss

drøse

prattle, gossip

drøvtygge

ruminate

drøye

hold, hold on, stay on the line, hold the line, hang on

linger, tarry [literature]

dubbe

dub

dublere

understudy, plate, double

duellere

duel

dufte

smell, emit (fragrance)

duge

serve [formal], do

dugge

drizzle, sprinkle

duke

set a table, lay a tablecloth

dukke

dip, bend, squelch

dulle

pamper, dangle, swing

dundre

boom

thunder, hurtle

boom

dunge

heap

dunke

pulsate, pulse, beat, throb

chug, chuff

dunste

buzz off [slang], go away

clear out, take off [informal]

duplisere

copy, duplicate

duppe

doze, nod, dip

dure

boom, rumble

durksye

?

duse

doze, carouse

dusje

shower, have a shower, take a shower

duskregne

drizzle

dutte

blame

duve

rock, wave, reef sail

dy

contain, restrain

dykke

submerge

dive, plunge

dyktiggjøre

prepare, qualify oneself

dynke

spry, sprinkle

dypetse

to burn something deeply with acid (artform)

dypfryse

deepfreeze, deep-freeze, freeze

dyppe

dunk, sop

dip

immerse, dip, bathe

dyrke

worship, adore, idolize, idolatrize, be mad about, be crazy about, dote on

dysse

soothe

dytte

jab, push, chink

dåne

faint

dåre

charm, delight

charm

enamor, charm, captivate

win over, charm, captivate

døde

kill, slaughter

kill, murder, assassinate

dønne

rumble, echo, resound

døpe

baptize, christen

døse

drowse, doze, snooze [informal], slumber [literature], nap

døye

endure

døyve

deaden, soften, overpower


Norvegese verbi con Francese traduzione.

dagdrømme

rêvasser

danse

danser

debattere

discuter, débattre, délibérer

argumenter, discuter, débattre

debitere

mettre sur le compte, porter au débit

débiter

debutere

faire ses débuts, débuter, faire sa première représentation

defilere

défiler

definere

définir

définir, préciser

degenerere

dégénérer

degradere

dégrader, déclasser

dégrader, déshonorer

dehydrere

déshydrater

dekantere

décanter

deklamere

réciter, déclamer

déclamer, réciter

deklarere

prononcer, déclarer

dekorere

orner, garnir

décorer, médailler

embellir, enjoliver, décorer, orner, parer

dele

partager

diviser, partager

diviser, répartir

arriver ex æquo

delegere

déléguer, députer, mandater

déléguer

delta

participer à, prendre part à

concourir, participer à

demaskere

démasquer

demilitarisere

démilitariser

demobilisere

démobiliser

demokratisere

démocratiser

demontere

démonter, désassembler

demoralisere

démoraliser, décourager, déprimer

dempe

apaiser, calmer, alléger, soulager, adoucir, consoler

diminuer, assourdir

apaiser, calmer, tranquilliser

denasjonalisere

dénationaliser

denaturere

dénaturer

deoksidere

désoxyder

deportere

déporter, transporter

déporter

deprimere

déprimer, décourager, démoraliser, abattre, rebuter

desarmere

désamorcer

désamorcer

desentralisere

décentraliser

desertere

déserter

designe

créer, dessiner, concevoir

desillusjonere

désillusionner, ôter les illusions, détruire les illusions, décevoir, désappointer

desimere

décimer

desinfisere

fumiger

désinfecter

desorganisere

désorganiser, déranger, embrouiller

desorientere

désorienter

destillere

distiller

detonere

détoner, exploser

detronisere

détrôner, déposer, destituer

devaluere

dévaluer

diagnostisere

diagnostiquer, faire le diagnostic

die

téter, sucer, allaiter

differensiere

différencier, distinguer, établir une distinction entre, démêler, ne pas confondre

diversifier, varier

digitalisere

digitaliser, numériser

dimensjonere

mesurer

dimme

quitter l'uniforme, être libéré du service, être démobilisé, retourner à la vie civile

dingle

balancer

dirigere

contrôler, diriger

diriger

diskontere

escompter

diskutere

discuter, débattre, délibérer, discuter à fond, traiter

argumenter, discuter, débattre

diskvalifisere

disqualifier

dissekere

disséquer

distansere

distancer

devancer, dépasser, distancer

distrahere

dévier du sujet, aiguiller sur une voie de garage

distraire, détourner l'attention, détourner

distribuere

distribuer, dispenser

divergere

diverger, dévier, s'écarter

dividere

diviser

doble

doubler

dokumentere

documenter

dominere

dominer

prédominer, prévaloir

dominer, gouverner

dominer

donere

donner, faire un don, accorder

donner, faire don de, contribuer

dosere

doser, diviser en doses

dramatisere

exagérer, outrer, amplifier, charger, dramatiser

dramatiser

drapere

draper

drenere

drainer

drainer

drepe

assassiner, massacrer

dressere

dresser

drible

dribbler

drikke

boire

drille

siffler

exercer

drive

propulser

dériver, aller à la dérive

exploiter

exciter, provoquer, agiter

contraindre, forcer, obliger, imposer

drukne

noyer

dryppe

couler goutte à goutte

suinter, filtrer, couler goutte à goutte, dégouliner, tomber goutte à goutte, dégoutter

couler goutte à goutte, couler lentement

drøvtygge

ruminer

drøye

attendre, ne pas quitter, rester en ligne

atermoyer, essayer de gagner du temps, trouver des faux-fuyants

dubbe

doubler

duge

suffire, faire l'affaire

dugge

bruiner, crachiner, pleuvoter

dundre

gronder

passer avec fracas

gronder, tonner

dunke

rythmer, scander, cadencer, battre la mesure

souffler

dunste

s'en aller, décamper [informal]

filer [informal], déguerpir [informal], se sauver

duplisere

polycopier, faire un double, copier

dusje

se doucher, prendre une douche

dykke

s'immerger

plonger, se plonger

dypfryse

surgeler

dyppe

tremper, faire trempette

tremper, plonger

immerger, submerger, plonger, tremper

dyrke

adorer, idolâtrer, chérir

dåre

enchanter, charmer

charmer

séduire, charmer, captiver

séduire, charmer

døde

tuer, abattre

tuer, assassiner

døpe

baptiser

døse

somnoler, s'assoupir, sommeiller, faire un petit somme


Norvegese verbi con Tedesco traduzione.

dagdrømme

träumen

danse

tanzen

debattere

besprechen, erörtern, diskutieren

diskutieren, debattieren, besprechen

debitere

belasten, in Rechnung stellen lassen

belasten

debutere

debütieren, erstmals öffentlich auftreten, den Erstauftritt machen

defilere

vorbeimarschieren, defilieren

definere

definieren

definieren, erklären, genau beschreiben

degenerere

degenerieren

degradere

degradieren, Rang herabsetzen

degradieren, entehren

dehydrere

dehydrieren, dehydratisieren

dekantere

umfüllen, abgießen

deklamere

rezitieren, vortragen, aufsagen

deklamieren, eine Rede halten, hersagen, vortragen, aufsagen

deklarere

verkünden

dekorere

aufputzen, dekorieren, verzieren

auszeichnen, dekorieren

verschönern, ausschmücken, schmücken, dekorieren, verzieren, ausgestalten, garnieren

dele

teilen

teilen, aufteilen

einteilen, aufteilen

teilen

delegere

delegieren, abordnen, deputieren

delegieren, übertragen, übergeben

delta

teilnehmen

wettstreiten, teilnehmen

demaskere

entlarven

demilitarisere

entmilitarisieren

demobilisere

demobilisieren

demokratisere

demokratisieren

demontere

auseinander nehmen, demontieren, zerlegen

demoralisere

demoralisieren, entmutigen, den Mut nehmen, bedrücken

dempe

lindern, mildern, stillen, erleichtern, besänftigen, beruhigen, beschwichtigen

herabsetzen, abnehmen, dämpfen

beschwichtigen, besänftigen, beruhigen

denasjonalisere

entnationalisieren

denaturere

denaturieren

deoksidere

desoxidieren

deportere

deportieren

ausweisen, deportieren

deprimere

deprimieren, entmutigen, bedrücken, niederdrücken, bekümmern

desarmere

entschärfen

entschärfen

desentralisere

dezentralisieren

desertere

desertieren

designe

entwerfen

desillusjonere

desillusionieren, ernüchtern

desimere

dezimieren

desinfisere

ausräuchern

desinfizieren

desorganisere

durcheinander bringen°, vermischen, vertauschen

desorientere

desorientieren

destillere

destillieren

detonere

explodieren, detonieren

detronisere

entthronen, absetzen, entlassen

devaluere

abwerten

diagnostisere

diagnostizieren

die

saugen, säugen, stillen

differensiere

differenzieren, unterscheiden, auseinander halten

diversifizieren, variieren

digitalisere

digitalisieren

dimensjonere

dimensionieren

dimme

ausdienen, seinen Militärdienst beenden, entlassen werden

dingle

baumeln

dirigere

kontrollieren, steuern

dirigieren, leiten

diskontere

rabattieren

diskutere

besprechen, erörtern, diskutieren, durchdiskutieren

diskutieren, debattieren, besprechen

diskvalifisere

disqualifizieren

dissekere

sezieren

distansere

weit hinter sich lassen

vorausgehen

distrahere

ablenken

zerstreuen, ablenken

distribuere

verteilen, vertreiben

divergere

abweichen, divergieren

dividere

teilen

doble

verdoppeln

dokumentere

dokumentieren

dominere

beherrschen

vorherrschen

vorherrschen, vorwiegen

beherrschen, dominieren

donere

schenken, gewähren, erteilen

spenden, beitragen

dosere

dosieren, in Dosierungen aufteilen

dramatisere

übertreiben, zu weit treiben, dramatisieren

dramatisieren, als Drama aufarbeiten

drapere

mit Vorhängen versehen, drapieren

drenere

entwässern, trockenlegen, dränieren

dränieren

drepe

schlachten, erschlagen

dressere

abrichten, dressieren

drible

dribbeln

drikke

trinken

drille

pfeifen

drillen

drive

treiben, antreiben

treiben, gleiten

in Betrieb sein, betreiben

aufwiegeln, aufhetzen

zwingen, pressen, nötigen, drängen, erzwingen, verpflichten

drukne

ertränken

dryppe

tropfen

sickern, durchsickern, heruntertropfen, heruntertröpfeln, tropfen, tröpfeln

tröpfeln, rinnen

drøvtygge

wiederkäuen, grübeln

drøye

warten, dranbleiben

zaudern, zögern

dubbe

nachsynchronisieren

duge

dienen, nutzen

dugge

nieseln

dundre

donnern

donnern, dröhnen

dröhnen

dunke

pulsieren, vibrieren

tuckern

dunste

abhauen, verduften

sich packen [informal], sich davonmachen

duplisere

kopieren, vervielfältigen

dusje

duschen, eine Dusche nehmen

dykke

abtauchen

tauchen, eintauchen

dypfryse

tiefgefrieren

dyppe

eintunken, eintauchen, durchnässen

eintauchen

untertauchen, eintauchen, tauchen

dyrke

anbeten, vergöttern, verehren

dåre

bezaubern

beschwören

bezaubern, fesseln, gefangen nehmen°

gewinnen, überzeugen

døde

töten, schlachten

töten, ermorden

døpe

taufen

døse

dösen, duseln, schlummern, dämmern, einnicken


Norvegese verbi con Italiano traduzione.

dagdrømme

fantasticare, sognare a occhi aperti

danse

ballare

debattere

discutere, parlare di

discutere, dibattere

debitere

mettere in conto

addebitare

debutere

debuttare, esordire

defilere

sfilare

definere

definire

definire, precisare, determinare

degenerere

degenerare

degradere

degradare, abbassare di grado

degradare, disonorare

dehydrere

disidratare

dekantere

decantare, travasare

deklamere

recitare

declamare, parlare in modo retorico

deklarere

dichiarare

dekorere

guarnire, ornare, decorare

decorare

abbellire, adornare, ornare, decorare

dele

condividere, dividere

dividere, spartire

dividere, suddividere

finire alla pari a

delegere

delegare, deputare

delegare

delta

partecipare, prendere parte, prendere parte a

gareggiare, concorrere

demaskere

smascherare

demilitarisere

demilitarizzare, smilitarizzare

demobilisere

smobilitare

demokratisere

democratizzare

demontere

smontare, scomporre

demoralisere

demoralizzare, scoraggiare, deprimere

dempe

calmare, attenuare, lenire, acquietare, alleviare, mitigare, placare, sedare

abbassare, diminuire, smorzare

placare, pacificare, calmare, acquietare, lenire, mitigare

denasjonalisere

snazionalizzare, denazionalizzare

denaturere

snaturare

deoksidere

disossidare

deportere

deportare

deportare

deprimere

abbattere, deprimere, scoraggiare, demoralizzare

desarmere

disinnescare

disinnescare

desentralisere

decentralizzare, decentrare

desertere

disertare

designe

dare uno stile a, disegnare

desillusjonere

disilludere, disingannare, disincantare

desimere

decimare

desinfisere

fumigare

disinfettare

desorganisere

disorganizzare, scompigliare, mettere in disordine, disordinare

desorientere

disorientare

destillere

distillare

detonere

detonare, esplodere

detronisere

detronizzare, deporre, destituire

devaluere

svalutare

diagnostisere

diagnosticare

die

poppare, succhiare, allattare

differensiere

differenziare, distinguere, fare differenza fra

diversificare, variare

digitalisere

digitalizzare

dimensjonere

misurare

dimme

congedarsi, tornare alla vita borghese

dingle

dondolare

dirigere

controllare, dirigere

dirigere

diskontere

scontare

diskutere

discutere, parlare di, ragionare di, argomentare di

discutere, dibattere

diskvalifisere

squalificare

dissekere

sezionare, anatomizzare, dissecare

distansere

distanziare

distanziare

distrahere

sviare

distrarre, distogliere

distribuere

dispensare, distribuire, elargire

divergere

divergere, scostarsi, allontanarsi

dividere

dividere

doble

raddoppiare

dokumentere

documentare

dominere

dominare

predominare, prevalere

dominare, reggere

tiranneggiare, spadroneggiare

donere

accordare, assegnare, conferire

donare, dare, fare dono di, contribuire

dosere

dosare, dividere in dosi

dramatisere

esagerare, ingrandire, gonfiare, drammatizzare

drammatizzare, adattare per le scene

drapere

drappeggiare, panneggiare

drenere

prosciugare

drenare

drepe

assassinare, trucidare

dressere

addestrare, ammaestrare

drible

palleggiare

drikke

bere

drille

fischiare

esercitare, addestrare

drive

spingere

andare alla deriva

dirigere, gestire

provocare, istigare

costringere, obbligare, forzare, imporre

drukne

affogare, annegare

dryppe

gocciolare

filtrare, trapelare, gocciolare, colare, stillare

gocciolare, sgocciolare, colare

drøvtygge

ruminare

drøye

aspettare, attendere in linea, restare in linea

ritardare, tirare per le lunghe

dubbe

doppiare

duge

andare bene, bastare, essere sufficiente a

dugge

piovigginare

dundre

rombare, rimbombare

tuonare, rimbombare

rimbombare, tuonare

dunke

pulsare, palpitare

sbuffare

dunste

andarsene, filare

andarsene, defilarsi [informal]

duplisere

fare in duplice copia, fare un duplicato

dusje

fare la doccia

dykke

immergersi

tuffarsi

dypfryse

surgelare

dyppe

inzuppare

immergere, intingere

immergere, bagnare, tuffare

dyrke

adorare, venerare, idolatrare, essere pazzo di, amare svisceratamente

dåre

incantare, dilettare

incantare

innamorare, incantare, affascinare

affascinare, sedurre

døde

uccidere, macellare

uccidere, ammazzare, assassinare

døpe

battezzare

døse

sonnecchiare, essere assopito, fare un pisolino


Norvegese verbi con Portoghese traduzione.

dagdrømme

sonhar acordado, fantasiar

danse

dançar

debattere

discutir, falar sobre, debater

discutir, debater

debitere

botar na conta

debitar

debutere

estrear, debutar, fazer a primeira aparição em público

defilere

marchar, desfilar

definere

definir, dar o significado de

definir, especificar

degenerere

degenerar, perder-se

degradere

degradar, rebaixar

degradar, desonrar

dehydrere

desidratar

dekantere

decantar

deklamere

recitar, declamar

declamar, fazer discurso, discursar, orar

deklarere

declarar

dekorere

adornar, enfeitar

condecorar

embelezar, adornar, enfeitar, ornamentar, decorar

dele

partilhar, compartilhar

dividir, partir, repartir

dividir, separar

empatar em

delegere

delegar, deputar

delegar, conferir

delta

participar, tomar parte, participar de, tomar parte em

competir, participar

demaskere

desmascarar

demilitarisere

desmilitarizar

demobilisere

desmobilizar

demokratisere

democratizar

demontere

desmontar, desarmar

demoralisere

desencorajar, desanimar, desestimular

dempe

aliviar, acalmar, abrandar, mitigar, aplacar, sossegar

diminuir, baixar, abafar

apaziguar, acalmar, aquietar, aplacar, contentar

denasjonalisere

desnacionalizar

denaturere

desnaturalizar

deoksidere

desoxidar

deportere

deportar

deportar

deprimere

desanimar, deprimir, abater, desencorajar, entristecer

desarmere

desativar

desativar

desentralisere

descentralizar

desertere

desertar

designe

desenhar

desillusjonere

desiludir, desencantar

desimere

dizimar

desinfisere

dedetizar

desinfetar

desorganisere

desorganizar, desordenar, fazer confusão, bagunçar

desorientere

desorientar, desnortear

destillere

destilar

detonere

detonar, explodir

detronisere

destronar, depor, derrubar, destituir

devaluere

desvalorizar

diagnostisere

diagnosticar, fazer um diagnóstico de

die

mamar, amamentar

differensiere

diferenciar, distinguir, discernir

diversificar, variar

digitalisere

digitalizar

dimensjonere

dimensionar

dimme

deixar o serviço, receber baixa

dingle

pender

dirigere

controlar, dirigir

conduzir, reger

diskontere

descontar

diskutere

discutir, falar sobre, debater, analisar

discutir, debater

diskvalifisere

desqualificar

dissekere

dissecar, anatomizar

distansere

distanciar-se, deixar para trás

passar, ultrapassar

distrahere

desviar do assunto

distrair, divertir, entreter

distribuere

dispensar, distribuir

divergere

divergir, opor-se

dividere

dividir

doble

dobrar, duplicar

dokumentere

documentar

dominere

dominar

predominar, prevalecer, reinar

dominar, reger, governar

dominar, tiranizar

donere

conferir, conceder, dar, presentear

doar, contribuir, colaborar

dosere

dosar, dividir em doses

dramatisere

exagerar, dramatizar

dramatizar

drapere

acortinar

drenere

drenar, escoar

drenar

drepe

chacinar, massacrar

dressere

treinar, educar, adestrar

drible

driblar

drikke

beber

drille

cantar

treinar, instruir

drive

mover

ir à deriva, ser levado

dirigir, gerenciar, comandar

incitar, provocar, instigar

compelir, forçar, obrigar, coagir, pressionar

drukne

afogar

dryppe

pingar, gotejar

vazar, gotejar, pingar

escorrer, correr

drøvtygge

ruminar

drøye

esperar, aguardar, ficar na linha, esperar na linha

retardar, fazer rodeios, enrolar [informal]

dubbe

dublar

duge

servir

dugge

chuviscar, garoar

dundre

estrondear, ribombar

roncar, zumbir

estrondear, ribombar

dunke

vibrar, pulsar

resfolegar

dunste

se mandar [slang], ir embora

ir embora, se mandar [slang]

duplisere

copiar, duplicar

dusje

tomar um chuveiro, tomar uma ducha, tomar uma chuveirada [Lat. Amer.]

dykke

submergir

saltar, mergulhar

dypfryse

congelar

dyppe

molhar, embeber, empapar, ensopar

mergulhar

imergir, submergir, afundar, mergulhar

dyrke

adorar, idolatrar, ser louco por, ser maluco por, ser vidrado em

dåre

encantar, deleitar

encantar

fascinar, encantar, cativar

ganhar, encantar, seduzir

døde

matar, abater

matar, assassinar

døpe

batizar

døse

dormitar, cochilar


Norvegese verbi con Spagnolo traduzione.

dagdrømme

fantasear, soñar despierto

dages

amanecer

dalke

manejar

dalte

seguir

damascere

damasquinado

dampe

humear

dampkoke

humear

dandere

arreglar

dangle

colgar

danke

holgazanear, despedir, ganar

danne

formar

danse

bailar

darre

temblar

daske

acariciar

databehandle

procesar datos

dataføre

administrar datos

datastyre

informatizar

datere

fechar

daude

morir

daugjødsle

fertilizar en exceso

dauhogge

cortar un árbol para que el daño causado haga que se seque gradualmente

dauhugge

cortar un árbol para que el daño causado haga que se seque gradualmente

daukjøre

llevar algo hasta el final

debattere

discutir, debatir, deliberar

discutir, debatir

debitere

cargar en cuenta

cargar en cuenta

debutere

debutar, hacer la primera apariencia

dedusere

deducir

defilere

desfilar

definere

definir

definir, especificar, determinar

deflatere

desinflar

degenerere

degenerar

degge

estropear

degradere

degradar, rebajar, relegar

degradar, deshonrar, infamar

dehydrere

deshidratar

deise

caer

dekantere

decantar

dekatere

encoger

deklamere

recitar

declamar, recitar, orar, sermonear

deklarere

declarar

dekode

decodificar

dekomponere

destruir, metabolizar

dekorere

adornar, decorar

condecorar

embellecer, adornar, ornar, decorar

dekortere

descontar

dekupere

incrustar

dele

compartir

dividir, compartir

dividir, repartir

salir empatados por, empatar por

delegere

delegar, diputar

delegar

comunicar, transmitir

delere

dividir

delje

golpear fuerte

delta

participar, tomar parte, participar de, tomar parte en

competir, tomar parte

demaskere

desenmascarar

demilitarisere

desmilitarizar

demisjonere

renunciar

demme

embalsar

demobilisere

desmovilizar

demokratisere

democratizar

demonstrere

demostrar

demontere

desarmar, desmontar, desmantelar

demoralisere

desmoralizar, desalentar, desanimar

dempe

aliviar, mitigar, calmar, aplacar, apaciguar, sosegar

disminuir, bajar, amortiguar

apaciguar, aplacar, aquietar, calmar, tranquilizar

demre

brillar

denasjonalisere

desnacionalizar

denaturalisere

desnaturalizar

denaturere

desnaturalizar

denge

pegar, azotar

denudere

descubrir

deoksidere

desoxidar

deponere

depositar

deportere

deportar

deportar

deppe

deprimirse

deprimere

desanimar, deprimir, desalentar, desmoralizar

deprivatisere

desprivatizar

derangere

trastornar

derelinkvere

ser un delincuente

derivere

derivar

desarmere

desactivar

desactivar

desentralisere

descentralizar

desertere

desertar

desidere

decidir

designe

diseñar

desillusjonere

desilusionar, desengañar, desencantar, decepcionar

desimere

diezmar

desinfisere

fumigar

desinfectar

desinformere

desinformar

desintegrere

desintegrarse

desoksidere

desoxidarse

desorganisere

desorganizar, desarreglar, trastornar, embrollar

desorientere

desorientar

destillere

destilar

destruere

destruir

detaljbehandle

administrar

detaljere

detallar

detasjere

separar

determinere

determinar

detonere

detonar, estallar, explotar

detronisere

destronar, deponer, destituir