Norske verb


Norsk verb med Nederlansk oversettelse.

kakke

kloppen

pingelen, kloppen, detoneren

kloppen, tikken

kakle

klokken, kakelen

kalibrere

kalibreren, ijken

kalke

witten

kalken, met kalk bemesten

kalkulere

berekenen, uitrekenen

kalle

aanduiden, noemen

noemen

dagvaarden, dagen

noemen

ontbieden, oproepen

kalve

kalven, kalveren

kamuflere

camoufleren

kanalisere

kanaliseren

kanonisere

canoniseren, heilig verklaren

kante

omboorden, omzomen

versieren, opsieren

kantre

doen kantelen, kantelen, omkantelen

kapseizen, omslaan

kapitulere

capituleren, opgeven, bezwijken

capituleren, zich overgeven

kapre

afkappen, afhakken, weghakken, afsnoeien

kapen

karakterisere

karakteriseren, kenmerken, typeren, kenschetsen, typisch zijn voor, karakteristiek zijn voor

karakteriseren, beschrijven, afschilderen, voorstellen

karve

beeldhouwen, beitelen, kerven, snijden

kassere

zich ontdoen van, wegsmijten, weggooien, afdanken, aan de dijk zetten

kastrere

castreren, steriliseren, snijden, ontmannen

kategorisere

categoriseren

kidnappe

ontvoeren, kidnappen

kikke

gluren, piepen

gluren, loeren, spieden

kives

kibbelen

kjekle

kibbelen

ruziën, ruzie maken, kibbelen, twisten, redetwisten, disputeren, harrewarren, kissebissen

kjenne

merken, zich bewust worden van, bemerken, gewaarworden [Belgium]

voelen, ervaren, beleven

voelen, aanraken

bemerken, speuren, bespeuren, ruiken

kennen

kjerne

karnen

kjølhale

kielen

kjøpe

kopen, aankopen, aanschaffen

kjøpslå

knibbelen, afdingen

kjøre

gaan

rijden

klaffe

goed gaan, meezitten, gunstig zitten, gunstig verlopen

klage

morren, mopperen, grommen, kankeren, sakkeren [Belgium], klagen

klagen, weeklagen

tegenspartelen, tegenpruttelen, tegenstribbelen, tegensputteren, protesteren, mopperen

bejammeren, bewenen, betreuren, klagen, zich beklagen

klandre

berispen, verwijten

de schuld geven, beschuldigen, verantwoordelijk stellen

berispen, afkeuren

veroordelen, hekelen, afkeuren

klappe

tikken

aaien, strelen

applaudisseren, klappen

hevig kloppen, bonzen, jagen, bonken

klare

slagen

voor elkaar krijgen, het klaarspelen [informal], het presteren om, bolwerken, fiksen [informal]

aankunnen, het hoofd bieden aan, bolwerken

klaren

aanpakken, omgaan met

klarere

uitklaren

klargjøre

verhelderen, verduidelijken, verklaren

verklaren, uitleggen, verantwoorden

ophelderen, verklaren, uitleggen

ophelderen, verduidelijken, verklaren

klarlegge

verhelderen, verduidelijken, verklaren

belichten, toelichten, licht werpen op

ophelderen, verklaren, uitleggen

klassifisere

classificeren

schatten, waarderen, waarde toekennen

klatre

klauteren, klimmen

kle

kleden, aankleden

stofferen, bekleden

klikke

ketsen

het laten afweten, het begeven

klimpre

tokkelen

klippe

knippen

knippen

afknippen, knippen

scheren

monteren

bijknippen, knippen, afknippen

klisse

zompen

klistre

kleven, plakken

klore

chloreren, chloren

klukke

klokken, kakelen

klå

afranselen, aframmelen [informal], afrossen [informal], afkloppen [informal]

inmaken [informal], klop geven [informal]

kna

kneden

knalle

knallen, klappen, ploffen

knappe

vanuit een hinderlaag neerschieten

tokkelen

knase

knabbelen, peuzelen, knagen

knipe

meenemen

kniple

klungelen, knoeien, prutsen, rotzooien

beuzelen, haarkloven, muggeziften

knise

giechelen

giechelen

knitre

knapperen

kraken

knetteren, knisperen

knuge

hard werken, zwoegen, ploeteren, sloven, zich afbeulen, zich afsloven, zich aftobben, zich uitputten

knurre

morren, mopperen, grommen, kankeren, sakkeren [Belgium]

knorren

knuse

verpletteren

verbrijzelen, breken, ingooien

in elkaar drukken, samendrukken

knytte

samenballen, dichtknijpen

vastbinden, binden, knopen, vastknopen

koagulere

klonteren, stollen

coaguleren, stremmen, stollen

stremmen

indikken, geleren, stremmen

kode

coderen, in cijferschrift omzetten

kodifisere

codificeren

koke

zieden

koken

koken, sudderen

koken

koken

kollaborere

collaboreren

kollasjonere

collationeren, nauwkeurig vergelijken

kollektivisere

collectiviseren

kolonisere

koloniseren

kommandere

gelasten, opdragen, bevelen

commanderen, orders geven aan

kommersialisere

commercialiseren

kompilere

compileren

komplettere

aanvullen, vervolledigen

completeren

komplimentere

gelukwensen, feliciteren, complimenteren

komplisere

compliceren, ingewikkeld maken

komponere

componeren, toonzetten, op muziek zetten, schrijven

kompromisse

een compromis sluiten

inruilen

kompromittere

compromitteren, in opspraak brengen, de goede naam aantasten van

kondensere

verkorten, inkorten, bekorten

condenseren, vloeibaar worden, verdichten

kondolere

zijn deelneming betuigen, zijn condoléances aanbieden, zijn condoleanties aanbieden

konferere

confereren, beraadslagen

konfiskere

confisqueren, in beslag nemen, beslag leggen op

confisqueren, beslag leggen op, verbeurdverklaren

konjugere

vervoegen

konkludere

beëindigen, voltooien

konkretisere

vorm geven, uitdrukken, belichamen

konservere

conserveren

roken

verduurzamen, conserveren

conserveren

inblikken

konsolidere

consolideren, verstevigen, versterken

konspirere

samenzweren, komplotteren

samenzweren, komplotteren, een komplot smeden

konstatere

vaststellen

konstruere

bouwen, opbouwen

konsultere

consulteren, raadplegen

kontrasignere

medeondertekenen

kontrastere

contrasteren, een contrast vormen, afsteken

kontrollere

controleren, nakijken, onderzoeken

controleren

controleren, toezicht uitoefenen op

verifiëren, controleren, nagaan, natrekken, checken

verifiëren, controleren, nagaan, checken

checken, nagaan, verifiëren

controleren, leiden

bedwingen, beteugelen, in bedwang houden, in toom houden

konvergere

samenlopen, convergeren

konversere

een gesprek voeren, converseren, spreken

koordinere

coördineren

kopiere

reproduceren, vermenigvuldigen, kopiëren

fotokopiëren, kopiëren

afdrukken, een afdruk maken

kopiëren, een kopie maken

korrespondere

overeenstemmen, overeenkomen, corresponderen, identiek zijn

overeenstemmen, in overeenstemming zijn

corresponderen, schrijven, briefwisseling voeren

korrigere

verbeteren, corrigeren, rectificeren, rechtzetten, ongedaan maken, herstellen

emenderen, corrigeren

korrodere

aantasten, corroderen, wegvreten, uitbijten

korrumpere

corrumperen, korrupt maken

korsfeste

kruisigen

kortslutte

kortsluiting veroorzaken

koste

kosten

kosten, er bij inboeten

krenge

wankelen

krenke

kwetsen, krenken

ontwijden, schenden, profaneren

kretse

cirkelen, zweven, hangen, bidden

cirkelen, een cirkelbaan beschrijven

cirkelen

kreve

vereisen, nodig zijn

aandringen op, insisteren op

vragen, eisen, verlangen, vergen, vereisen

claimen, aanspraak maken op, vorderen

opeisen, aanspraak maken op

kruse

kronkelen, golven

kroezen, krullen, friseren

rimpelen, golven

krydre

kruiden, smaak geven aan

krympe

krimpen

krimpen, smaller worden

krype

kruipen, voortkruipen, schuiven

kruipen, zich verlagen, zich vernederen

krysse

kruisen

oversteken, overschrijden

verijdelen, dwarsbomen

oversteken

oversteken, trekken door, doorkruisen, doortrekken

kruisen

kruisen

kruisen

kryssforhøre

aan een kruisverhoor onderwerpen, streng ondervragen

kråle

kruipen, voortkruipen, schuiven

krøke

draaien, buigen, een bocht maken

buigen, krommen, verbuigen

kue

intomen, beteugelen, in bedwang houden, in toom houden

intimideren, overdonderen, brutaliseren

kullkaste

verijdelen, verhinderen, voorkomen

weerleggen, ontzenuwen

verijdelen, dwarsbomen, in de war sturen, in het honderd sturen

kulminere

culmineren, zijn hoogtepunt bereiken

kultivere

cultiveren, aankweken

cultiveren, ontwikkelen

kunne

kunnen, willen

mogen, kunnen

kunngjøre

onthullen, bekend maken, aan het licht brengen

afkondigen

adverteren, bekendmaken, aankondigen, ruchtbaar maken, openbaar maken

kurere

genezen

kurre

knorren

kursivere

cursiveren

kvantifisere

kwantificeren

kwantificeren, meten, bepalen

kvekke

kwaken

kvele

onderdrukken, smoren, tegenhouden

onderdrukken, tegenhouden, bedwingen

de kop indrukken

uitslaan

verstikken, wurgen, doen stikken, asfyxiëren

onderdrukken, inslikken, verbijten

kverulere

vitten, haarkloven, muggeziften

kvesse

aanpunten, scherpen

wetten, scherpmaken

kviste

snoeien

kvitre

tjirpen, tjilpen, sjilpen, kwetteren

kvitte

aan een strenge selectie onderwerpen

uitdunnen

kvittere

kwiteren

kysse

kussen, zoenen


Norsk verb med Engelsk oversettelse.

kabbe

chop, cut, saw

kadmiere

coat another metal with cadmium

kadreie

frame, straddle

kakke

knock

ping, knock

knock, rap, tap

kakle

cluck, cackle, chuck, chuckle

kakuminalisere

turn the tip of the tongue inverted or curled upwards

kalandrere

register, enlist, arrange, analyse

kaldflire

laugh or smile scornfully

kaldrøyke

draw on unlighted pipe

kaldskratte

scold, reprimand

kaldsmie

forge with cold material

kaldsvette

be in a cold sweat

kalfatre

caulk

kalibrere

calibrate

kalke

whitewash

lime

kalkere

trace, copy

kalkulere

calculate, compute, work out

kalle

denominate [formal], designate, call

call

cite, summon [formal], subpoena, process, subpena

name, call

summon [formal], send for

kalligrafere

write in elegant style

kalsinere

cause calcination

kalve

calve

kampere

encamp

kamse

?

kamuflere

camouflage

kanalisere

canalize

kandidere

elect/apply as candidate

kandisere

candy

kannelere

channel, flute, groove

kanonisere

canonize

kansellere

cancel

kante

edge

trim, decorate

kantre

turn over, tip over, cant

capsize, overturn

kapitulere

capitulate [formal], surrender [formal], give up, yiild [formal]

capitulate, surrender

kappdrikke

drink quantities in competition

kappes

compete, contend

kappkjøre

compete

kapre

lop away, lop off

skyjack, hijack, highjack, high-jack

kapseise

capsize, tip over

kapunere

castrate

karakterisere

characterize, distinguish, mark, be characteristic of, be typical of

characterize, describe, portray, picture, depict

karde

card

karikere

caricature

karnøfle

beat, pummel, dress down

karte

start forming fruit

kartere

check, register

kartlegge

chart, map

kartonere

bind in paper boards

karve

carve, sculpt, chisel, sculpture

kassere

discard, throw away, chuck away [informal], get rid of, ditch [informal], dump [informal], junk [informal], trash [informal]

kaste

roll

heave

hurl

fling, hurl, cast, catapult, throw, chuck [informal], toss, pitch, pelt, strike

kastebytte

make an even trade sight unseen

kastrere

castrate, alter, sterilize, emasculate, fix, geld, spay, neuter

katalogisere

catalog

katalysere

catalyze

kategorisere

categorize

katekisere

catechize

katolisere

covert to catholicism, prolitize

katte

whip, hoist, expel

kaue

call, cooey to animals

kauke

call, cooey to animals

kausjonere

endorse, guarantee

kave

flail, strike, snatch, scrape, toil, flounder, swarm

kavere

guarantee, take responsability for

kavle

attach wooden floats to fishing net, form breakers

keie

chain together, link

keike

bend backwards, wrangle, tack

keivle

roll (dough)

kibbe

shove, push, throw

kidnappe

abduct, kidnap

kike

whoop, peek, peep, peer

kikke

peek

peep, peer

squint

peer, look intently

kikne

lose one's breath, get a klink from bending or turning suddenly

kikre

?

kikse

make a miscue, play marbles

kile

buzz off [slang], go away

scurry, scuttle, zip, dash, fly, shoot

tickle

kime

chime, peal, ring repeatedly

kimse

scorn

kingse

?

kinke

twist, jerk, toss

kinkse

twist, jerk, toss

kinne

churn

kippe

jerk, dip, flop, blink repeatedly

kitte

tickle

kive

quarrel

kives

squabble

kjakse

hack, cut unevenly

kjangse

take a chance

kjappe

hurry, row with short, quick strokes

kjase

fuss, stuggle, pester, nag

kjave

struggle, toil

kjederøyke

chain smoke

kjee

kid

kjefte

scold, jaw

kjekle

squabble

quarrel, argue, dispute, fall out, bicker, fight

kjekse

gaff, mutter

kjemme

comb, rake hay

kjempe

struggle

contend, compete

kjenne

sense, become aware of

feel, experience

feel, touch

detect, sense, smell, scent

know, be acquainted with

kjennetegne

characterise, distinguish, mark

kjerne

churn

kjerve

bundle, wrap, cut leafy twigs

kjese

make cheese with help of rennet

kjeske

carve, be hungry

kjæle

caress, fondle, pet, cuddle, nestle, pamper

kjære

care about, complain to

kjærtegne

caress, fondle, pet, cuddle, nestle, pamper

kjæte

be happy, have fun, cut loose

kjøle

chill, cool

kjølhale

careen

kjøpe

buy, purchase [formal]

kjøpslå

haggle, argue

kjøre

go

ride

drive, drive a car

kjøve

choke, quench, muffle

kladde

scrawl, scribble

klaffe

go well, go smoothly

klage

grumble, grouse [informal], gripe [informal], grouch

wail

protest, grumble, put up a struggle

bewail [formal], lament, mourn, complain

klake

crust over with ice, begin to freeze

klakke

crush, hit, pound, clatter, dabble, smear

klampe

clamp, cleat, clop, stamp

klamre

clutch, grip

klandre

reprehend [formal]

blame, accuse

chide, reprove [formal], reproach

condemn, censure, reprobate [formal]

klappe

pat

pet, stroke

applaud, clap

palpitate, throb, pound

klapse

spank, punish, tell off, dress down

klare

pass

manage to, contrive to

cope, deal with, handle

clarify, clear

manage, handle, deal with

puzzle out, figure out, work out

klarere

clear, clear through customs

klargjøre

clarify, explain, enlighten

explain, account for

clear up, explain, make clear, clarify

enlighten, make clear, clarify

klarlegge

clarify, explain, enlighten

illuminate, elucidate, clarify

clear up, explain, make clear, clarify

klarne

clarify

klaske

splash, squish, clatter, clink, slap

klassifisere

classify

rate, grade, evaluate

klatre

scramble

klatte

splotch, waste, dribble

klattemale

paint sloppily

klausulere

stipulate, restrict

klave

measure diameter of trees, shore up

klavebinde

measure diameter of trees, shore up

kle

dress, clothe

upholster

klebe

glue, paste, be sticky

klede

clothe, dress

kleie

scratch, itch

kleime

paste, stick

klenge

cling, hang, stick, extract seeds from pine cones by drying

kleppe

make lumpy, gaff

klesse

slap, stammer, stutter

klikke

misfire

fail

klimatisere

acclamatise

klimpre

strum, thrum

kline

coat, daub, smear, paste

klingre

jingle, tinklr

klinke

beat, hammer, rivet, repair

klipe

cut, clip

klippe

clip

snip

cut off, cut, clip

shear

edit

trim, clip, cut

klirre

clank, cling, clatter, jingle

klisse

squelch

klistre

paste

kloakkere

sewer, provide with sewers

klone

clone

klore

chlorinate

klorere

chlorinate, bleach, disinfect

kloroformere

chloroform

klovne

split

kludre

bungle, fumble, scrawl

klukke

cluck, cackle, chuck, chuckle

klukkle

clackle, gobble, chucklr, gurgle

klumpe

make lumpy, bunch up wad up

klumse

bewilder, spellbound

klundre

struggle, toil clumsily

klunke

gurgle, plunk, strum

klusse

mess around, bungle, flounder, fondle

klynke

complain, whimper, whine

klå

finger, monkey, monkey about, touch

klø

scratch, itch

kløfte

split

kløkke

jump, move, stir

kløtsje

to press in clutch

kløvje

make up a peck, pack, fasten a pack to a horse

kløvne

split

kna

knead

knabbe

grab, snatch, swipe, fight, tussle

knakke

knock

knalle

pop

knappe

snipe

strum, thrum

knarke

become fogey, become an crabby old man?

knarte

chop, hack

knase

nibble

knaske

chew, crunch

knatte

knock (repeatedly), rap, beat

kneble

gag

knege

crush, rub, slave, tiol, hoard, be stingy

knegge

chuckle, neigh (horse), cackle

knegå

walk on knees, maul, hound

kneise

lift head, stand up straight, rise proudly

knekte

discipline, subdue

knele

kneel

knepre

clack, rattle, sputter

knesette

adopt, acknowledge, recognize

kneste

pop, make a sudden sound

knette

pop, make a sudden sound

knipe

pull in, drag in

kniple

potter around, putter around, mess around, mess about, potter about, putter about

niggle, be finicky

knise

titter

giggle

knistre

whine, crunch, clack, sparkle, squeak, squeal

knitre

crackle

crackle

crackle

knive

knife, compete shrply

knocke

knock

knockoute

knock out

knoge

toil, work hard

knope

knot, tie

knoppe

sprout, bud, shoot

knote

use affected, unnatural language

knubbe

push, shove

knuge

slog [informal], toil, plod, drudge, slave, labor, slave away, plod on

trudge, slog, plod

knulle

sexual intercourse [formal], fuck [informal], shag [slang], frig, screw [informal]

knupse

sprout, bud, shoot

knurke

growl, grunt

knurpe

chew noisily, munch

knurre

grumble, grouse [informal]

grunt

knurve

growl, snarl, complain, grumble

knuse

crush

shatter, smash

crush, squeeze together

knuselske

be crazy about, hug tightly

knusle

be stingy

knuspe

crunch, chomp

knuspre

crunch, chomp

knustre

crush, crunch

knuvle

force, push, press down

kny

mumur, make sound of protest

knyste

make sound of protest

knyte

knot, tie

knytte

clench

tie, knot

koagulere

clot, congeal

coagulate

congeal

congeal, thicken, stiffen

kode

encode, convert into a code

kodifisere

codify

kogle

bewitch, charm, conjure, practice magic

koke

seethe

cook

cook

boil

boil

kokettere

flirt, show off, act coquettish

kokkelere

cook food

kokkerere

cook food

kokre

nuzzle, whinny

kole

blacken

kollabere

collapse

kollaborere

collaborate

kollasjonere

collate, compare carefully

kollektivisere

collectivize

kollokvere

relegate, foist, palm off

kolonisere

colonize

kolportere

sell door-to-door

komitebehandle

treat with committee

kommandere

charge, instruct

shove around [informal], boss around [informal]

komme

come, get, arrive, happen

kommersialisere

commercialize

kommunalisere

communalize

kommutere

commute

komparere

compare

kompe

compare

kompilere

compile

komplettere

supplement

top up

komplimentere

congratulate, felicitate, compliment

komplisere

complicate, make complex, make intricate

komponere

compose

komprimere

compress

kompromisse

compromise

trade off

kompromittere

compromise, bring shame to

kondemnere

condemn

kondensere

abridge, shorten, condense, abbreviate, abstract

condense, become liquid

kondisjonere

condition

kondolere

condole with

konferere

confer

konfirmere

confirm

konfiskere

confiscate, seize

seize, confiscate

konfrontere

confront

kongruere

congregate

konjugere

conjugate

konke

bankrupt

konkludere

end, finish, conclude, wind up

konkretisere

embody [formal], concretize

konnotere

connote

konsertere

give a concer/recital

konservere

preserve

cure

preserve, conserve

preserve

can

konsignere

consign

konsipere

draft, conceive

konskribere

conscibe

konsolidere

consolidate, strengthen

konspirere

connive, conspire

conspire, plot, scheme, intrigue

konstatere

determine

konstituere

constitue, appoint as an interim

konstruere

construct, build

konsultere

consult, ask advice, confer with

konsumere

consume

kontere

enter

kontingentere

restrict imports, set a quota

kontinuere

repeat an examination

kontorisere

officialise

kontrahere

contract

kontrasignere

countersign

kontrastere

contrast

kontribuere

contribute

kontrollere

check, test

control

control

verify, check

check, check out [informal], verify

check, find out

control, direct

guard, control, keep under control

konvergere

converge

konversere

converse [formal], have a conversation

konvertere

convert

konvoiere

convoy

konvoluttere

put into an envelope

kooperere

cooperate

koordinere

coordinate, co-ordinate

kope

stare

kopiere

reproduce, copy

photocopy, copy, xerox

print

copy, duplicate

kople

tie up, couple, link

koppe

bleed, feed young animal from a cup

kopulere

copulate, splice-graft

koreografere

choreograph

korke

cork, plug, stop

korne

granulate, get harvested grain into the barn

korporativisere

corporatize

korrespondere

coincide, concur [formal], accord [formal], correspond, match

correspond, write, exchange letters

korrigere

correct, rectify [formal], put right, make right, set right, remedy

emend

korrodere

corrode, eat

korrumpere

corrupt

korsfeste

crucify

korslegge

cross legs, fold arms

kortne

too shorten

kortslutte

short-circuit

kose

make things cosy

koste

cost

cost

kostymere

costume, dress up

kovne

suffocate, be suffocating

krafse

claw, scratch, grub, rake

krage

crow

krakelere

give a crackle finish to porcelain

krakke

crash

krangle

bicker, squabble, wrangle, pick a quarrel

krasle

rustle, scurry

kraume

crawl, swarm

kravle

crawl

kreere

create

kreiste

crush, squueze

krenge

wobble

krenke

hurt

desecrate, profane, commit sacrilege

kreppe

shrink, shrivel

krepse

back out of something, catch crayfish

kretse

circle, wheel, hover

orbit

circle

kreve

necessitate [formal], require

insist upon, insist on

ask, demand, require, call for

claim

claim, demand

krible

crawl, creep, shiver, itch

krige

battle, make war

krikle

prickle, tickle

krille

prickle, tickle

kriminalisere

criminalise

kringgåe

bypass, circumvent

kringkaste

broadcast

kringsette

encircle, besiege, surround

krinse

circle

krisle

tickle, tingle, prickle, shiver

kristne

christianise, convert, baptise, sanctify

krite

scribble, decorate with scroll work

kritle

tickle, tingle, prickle, shiver

kritte

chalk, whiten

kro

puffed up, strut, boast

krokere

sketch a map, croquet

krokkere

sketch a map, croquet

krokne

become bent/crooked

krone

crown

krongle

struggle, toil

kronikkere

chrinicle

kroppsvisitere

frisk, search

krote

scribble, decorate by carving, painting or embroidery

kruke

squat, bend the knees

krungle

struggle, toil

kruse

curl, undulate

frizz, crimp

ripple

kry

swarm, crawl, creep, drag, pull

krydre

season, spice, add spice to

krympe

shrink

shrink

kryne

discipline, punish

krype

creep, crawl

grovel

kryptere

encrypt

kryptifisere

encrypt

krysse

cross

cross

frustrate

cross over, traverse [formal], pass over

cross, traverse [formal]

interbreed

cross, crossbreed

cross, crossbreed

kryssforhøre

cross-examine, cross-question

kryssklippe

crosscut

kryste

crush, press, squeeze

kråle

creep, crawl

krøke

bend, turn

bend, bow

krøkne

?

krøple

cripple, dwarf, stunt

krøsse

curry favour, flatter, bootlick

kubere

log, stump

kue

curb, restrain

browbeat, intimidate, cow, harass

kujonere

bully, browbeat

kukelure

brood, ponder

kuldslåe

take away the chill from liquid

kule

blow

kullkaste

foil

disprove, invalidate

defeat, thwart, upset

kulllyse

?

kullsegle

capsize

kullseile

capsize

kullyse

shine light in coal

kulminere

culminate, climax, peak

kulse

shiver, shudder

kulske

shiver, shudder

kulte

cover/fill with rough stone

kultivere

cultivate

cultivate

kumle

knead

kunne

can, will

may, can

kunngjøre

expose, lay open

promulgate [formal]

advertise, make known, publicize, give notice

kupere

cut off, dock

kure

crouch, lie, brood, mope

kurere

cure, heal

kurre

rumble

coo

kurse

run

kursere

run

kursivere

italicize

kurtisere

flirt with

kuske

browbeat, push around

kuste

keep in order

kute

cut and run

kutte

cut off

kuve

heap, round off

kuvende

veer, wear

kvadrere

divide into squares

kvakke

bungle, tamper

kvamne

suffocate

kvantifisere

quantify

quantify [formal], measure

kvantitere

quantify

kvare

bring to rest

kvarte

hook, nab, pilfer

kvede

chant, sing

kvee

fold

kvege

refresh, soothe

kveike

refresh, kindle, encourage, foster

kveile

coil, fake

kvekke

croak

kvelde

grow towards evening, eat supper, go to rest/bed

kvele

stifle, smother

stifle, smother, hold in, suppress

scotch [formal]

beat out

choke, strangle, suffocate, smother, scrag [informal], asphyxiate

choke back, hold back

kvelve

arch, vault, overturn

kveppe

startle, start

kverke

choke, throttle, stifle

kverrsette

arrest, impound, seize

kverulere

cavil, carp, quibble

cavil, carp, quibble

kvese

hiss, wheeze

kvesse

sharpen

whet [formal], sharpen

kvie

whimper, whine, moan

kvikke

cheer, enliven

kvikne

rally, recover, revive, quicken, accelerate

kvile

rest

kvine

shriek, squeak

kviskre

whisper

kvisle

lop, trim, mark

kviste

prune, lop

kvite

whiten, whitewash

kvitne

whiten, be white

kvitre

chirp, chirrup, cheep, tweet, twitter

kvitte

screen

thin out

kvittere

receipt

kvotere

fix a quota

kvæve

choke, throttle, stifle

kyle

fling, hurl, toss

kylle

burn coal, chop off branches, chill, cool

kysse

kiss

kyte

boast, brag, complain

spread, turn hay

kåle

destroy, do away with

kåre

choose, elect

kåsere

lecture


Norsk verb med Fransk oversettelse.

kakke

taper

cliqueter, cogner

frapper, taper, frapper doucement

kakle

glousser, caqueter

kalibrere

étalonner, calibrer, graduer

kalke

blanchir à la chaux, chauler, badigeonner en blanc

chauler

kalkulere

calculer, compter

kalle

dénommer, désigner

appeler

citer, assigner, appeler, appeler en justice

nommer, appeler

convoquer, appeler

kalve

vêler, mettre bas

kamuflere

camoufler

kanalisere

canaliser

kanonisere

canoniser

kante

border, passepoiler

orner, garnir

kantre

retourner, faire basculer

chavirer, capoter

kapitulere

capituler, se rendre, céder

capituler, se rendre

kapre

élaguer, tailler

détourner, pirater

karakterisere

caractériser, distinguer, marquer

caractériser, décrire, définir, dépeindre

karve

ciseler, sculpter

kassere

jeter, se débarrasser de, balancer [informal], ficher en l'air [informal], bazarder

kastrere

châtrer, castrer, émasculer, stériliser

kategorisere

classer par catégories, cataloguer

kidnappe

enlever, détourner, kidnapper, ravir

kikke

regarder furtivement, jeter un coup d'œil

regarder furtivement, regarder à la dérobée, jeter un coup d'œil, épier

kives

se quereller, se chamailler [informal], se disputer

kjekle

se quereller, se chamailler [informal], se disputer

se quereller, se disputer, se chamailler

kjenne

se rendre compte de, sentir

sentir, ressentir, éprouver

toucher

flairer, détecter, sentir

connaître

kjerne

baratter

kjølhale

caréner

kjøpe

acheter, se payer

kjøpslå

marchander

kjøre

aller, partir pour

rouler

klaffe

aller bien, se dérouler sans anicroche, marcher comme sur des roulettes

klage

grommeler, ronchonner [informal], rouspéter [informal]

gémir, vagir, pousser des gémissements, pleurnicher

protester, grogner, grommeler, ronchonner, rouspéter [informal]

pleurer, se lamenter sur, se plaindre, gémir

klandre

blâmer, réprimander, reprocher

blâmer, accuser

réprouver, blâmer, gronder

condamner, blâmer, désapprouver, censurer

klappe

tapoter

caresser

acclamer, claquer, claquer des mains, ovationner

palpiter

klare

réussir

parvenir à, arriver à, réussir à, trouver le moyen de, s'arranger pour

faire face à, venir à bout de, être à la hauteur de

clarifier

savoir s'y prendre avec, manier

klarere

dédouaner

klargjøre

clarifier, éclaircir, expliquer, élucider

expliquer, justifier

expliquer, éclaircir, éclairer

éclairer, clarifier, élucider

klarlegge

clarifier, éclaircir, expliquer, élucider

éclaircir, éclairer, élucider, tirer au clair

expliquer, éclaircir, éclairer

klassifisere

classifier

évaluer, estimer, coter, juger

klatre

grimper tant bien que mal, grimper en s'aidant des pieds et des mains, grimper à quatre pattes, grimper avec difficulté

kle

vêtir, habiller

recouvrir

klikke

bloquer

avoir des ratés, lâcher

klimpre

pincer

klippe

couper

couper à petits coups de ciseaux

couper

tondre

monter

couper

klisse

patauger

klistre

coller

klore

javelliser

klukke

glousser, caqueter

klå

rosser [informal], flanquer une rossée à [informal], tanner le cuir à [informal], battre à plates coutures [informal]

battre à plates coutures

kna

pétrir

knalle

sauter

knappe

tirer à l'affût sur, tirer en embuscade sur, canarder [informal]

pincer

knase

grignoter

knipe

appréhender, arrêter, emmener

kniple

traînailler, bricoler, s'occuper de bagatelles

vétiller [formal], couper les cheveux en quatre

knise

glousser, rire sottement

rire sottement, glousser

knitre

grésiller

crépiter

pétiller, crépiter

knuge

travailler dur, peiner, boulonner dur [slang], trimer [slang]

knurre

grommeler

grogner

knuse

écraser

fracasser, briser, casser

écraser, presser

knytte

serrer, empoigner

lier, attacher, nouer

koagulere

coaguler, se coaguler

coaguler, se coaguler

cailler, coaguler

se congeler, s'épaissir, devenir ferme, prendre de la consistance

kode

chiffrer, encoder

kodifisere

codifier

koke

bouillonner, bouillir

cuire, faire cuire

cuire

bouillir

bouillir

kollaborere

collaborer

kollasjonere

collationner, comparer

kollektivisere

collectiviser

kolonisere

coloniser

kommandere

charger, commander

bousculer, faire la loi, régenter

kommersialisere

commercialiser

kompilere

compiler

komplettere

ajouter, compléter

compléter

komplimentere

féliciter, congratuler, complimenter

komplisere

compliquer, obscurcir, embrouiller

komponere

composer

kompromisse

transiger

échanger, faire un compromis entre

kompromittere

compromettre, embarrasser, gêner

kondensere

abréger, raccourcir, résumer, réduire, écourter

condenser

kondolere

exprimer ses condoléances, présenter ses condoléances

konferere

conférer

konfiskere

confisquer

saisir, confisquer

konjugere

conjuguer

konkludere

terminer, achever, conclure

konkretisere

concrétiser

konservere

conserver

fumer

conserver, préserver

conserver

mettre en boîtes

konsolidere

consolider, fortifier, renforcer

konspirere

être de connivence, conspirer

conspirer, comploter, intriguer

konstatere

déterminer, constater

konstruere

construire, bâtir

konsultere

consulter, prendre conseil

kontrasignere

contresigner

kontrastere

contraster, faire contraste, trancher

kontrollere

vérifier

contrôler

contrôler

vérifier

vérifier, contrôler

vérifier

contrôler, diriger

surveiller, refréner

konvergere

converger

konversere

converser, s'entretenir avec, parler avec, dialoguer

koordinere

coordonner

kopiere

reproduire, copier

photocopier

tirer

polycopier, faire un double, copier

korrespondere

coïncider, concorder, correspondre, s'accorder

se conformer à, correspondre, agréer

écrire, communiquer, échanger des lettres

korrigere

corriger, rectifier, remédier, racheter, réparer

réviser, corriger

korrodere

corroder, ronger

korrumpere

corrompre

korsfeste

crucifier

kortslutte

court-circuiter

koste

coûter

coûter

krenge

vaciller, osciller

krenke

blesser, heurter

profaner, traiter sans respect

kretse

faire des cercles, décrire des cercles, voler sur place, voltiger au-dessus de, planer au-dessus de

graviter

tourner, décrire des cercles

kreve

requérir

insister sur, appuyer sur

demander, réclamer, exiger, requérir

réclamer

revendiquer, réclamer

kruse

onduler

crêper, friser

faire onduler, rider

krydre

assaisonner, apprêter, relever, épicer, ajouter des condiments à

krympe

se contracter

rétrécir

krype

ramper, se traîner

ramper

krysse

croiser

franchir

faire échouer, contrecarrer

traverser

traverser, passer à travers

croiser

croiser

croiser

kryssforhøre

faire subir un contre-interrogatoire à

kråle

ramper, se traîner

krøke

tourner, faire un coude

courber

kue

refréner

intimider, rudoyer, effrayer

kullkaste

déjouer

réfuter, démontrer la fausseté de, établir la fausseté de

frustrer, bouleverser, déranger

kulminere

culminer, plafonner

kultivere

cultiver

cultiver

kunne

pouvoir

pouvoir

kunngjøre

exposer

promulguer

annoncer, faire savoir, afficher, notifier

kurere

guérir

kurre

gargouiller

kursivere

imprimer en italiques

kvantifisere

quantifier

quantifier, déterminer, mesurer, évaluer quantitativement

kvekke

croasser

kvele

étouffer, réprimer

réprimer, retenir, étouffer

étouffer

éteindre en battant

étouffer, étrangler, suffoquer, asphyxier

refouler, ravaler

kverulere

chicaner, ergoter

kvesse

tailler

aiguiser, affûter

kviste

tailler

kvitre

pépier, piauler

kvitte

passer au crible

éclaircir

kvittere

acquitter

kysse

embrasser


Norsk verb med Tysk oversettelse.

kakke

klopfen

rasseln, klopfen

klopfen

kakle

glucken, gackern

kalibrere

eichen, kalibrieren

kalke

tünchen

kalken

kalkulere

kalkulieren, rechnen

kalle

bezeichnen

nennen

vorladen

nennen

einberufen, zu sich zitieren

kalve

kalben

kamuflere

tarnen

kanalisere

kanalisieren

kanonisere

heilig sprechen°, kanonisieren

kante

umranden, umsäumen

aufputzen, dekorieren

kantre

umkippen

kentern, umschlagen, umkippen

kapitulere

kapitulieren, aufgeben, sich ergeben

kapitulieren, sich ergeben

kapre

stutzen, beschneiden, abhacken

entführen

karakterisere

charakterisieren, unterscheiden

charakterisieren, beschreiben, schildern, ausmalen, kennzeichnen

karve

schnitzen

kassere

wegwerfen, wegschmeißen, ablegen, verplempern [informal], ausmisten

kastrere

kastrieren, sterilisieren, verschneiden, unfruchtbar machen

kategorisere

kategorisieren

kidnappe

entführen, kidnappen

kikke

gucken

gucken, spähen

kives

sich streiten

kjekle

sich streiten

zanken, streiten, diskutieren, sich zanken, sich streiten

kjenne

merken, bemerken, sich einer Sache bewusst° werden

fühlen, erfahren, erleben

fühlen, berühren

spüren, verspüren, wittern

kennen

kjerne

buttern, zu Butter verarbeiten

kjølhale

kielholen

kjøpe

kaufen, ankaufen

kjøpslå

feilschen

kjøre

fahren

fahren

klaffe

gut gehen, wie am Schnürchen laufen, günstig verlaufen, klappen [informal]

klage

brummen, nörgeln, meckern [informal]

wehklagen, jammern

sich sträuben, murren, protestieren

beklagen, beweinen, trauern um, klagen, sich beklagen

klandre

tadeln, rügen, verweisen

beschuldigen, die Schuld geben

tadeln, missbilligen°, rügen

verurteilen, missbilligen°, Vorwürfe machen

klappe

patschen

streicheln

akklamieren, applaudieren, beklatschen, klatschen

heftig klopfen, wild schlagen, pochen

klare

bestehen

es fertig bringen°

gewachsen sein, meistern

klären

umgehen mit, fertigwerden

klarere

verzollen

klargjøre

verdeutlichen, erklären

erklären, Rechenschaft geben über

klarstellen, klarlegen, auflösen, klären

aufklären, erklären

klarlegge

verdeutlichen, erklären

erklären, erläutern, verdeutlichen, aufklären, auslegen

klarstellen, klarlegen,